Microstudie Hulsel
Boerderij van Jan Lavrijsen



Microstudie Hulsel, een gesprek met fam. Lavrijsen

Onderstaand interview is onderdeel van een serie van drie interviews met drie agrarische ondernemers uit Hulsel (reconstructiegebied Beerze-Reusel) zijn representatief voor de lotgevallen van de gehele boerenstand in Brabantse reconstructiegebieden. Om hun verhaal te illustreren zijn hun erf en opstallen nauwkeurig gefotografeerd.

De ouders van Jan Lavrijsen (1941) komen uit Reusel. Hij moest het geërfde bedrijf met zijn broer delen en maakte een nieuwe start (1964). Hij hield koeien in een oude stal. Het bedrijf had 29 perceeltjes.
Beslissend waren de jaren van de ruilverkaveling (die in totaal 12 jaar werd voltrokken). Het was zo geregeld dat een (gesplitst) bedrijf een minimumomvang moest hebben. Wanneer een gesplitst bedrijf onder de 11 ha kwam, dan kon er een aanvulling gevonden worden door huur of pacht van gemeentegronden. In 1972 kwamen de eerste nieuwe stal en de woning erbij. Door bijkopen is het bedrijf uitgegroeid tot 16 ha. In 1972 groeide hij van circa 20 naar minimaal 100 koeien.
Lavrijsen prijst de weelde en schoonheid van de ‘strakke’ landbouw; van het krom maken van riviertjes begrijpt hij niets. In de melksector worden min of meer vaste prijzen aangehouden, in de pluimveesector wordt de prijs bepaald door de slachterijen en winkelketens. Mevrouw Lavrijsen vertelt dat zij tien uur per week achter het beeldscherm zit om de boekhouding op orde te houden. Dat wordt mede veroorzaakt door alle hygiënische regels zoals de mestboekhouding, de kwaliteitscontrole van de vleesproducten e.d.. Er staan zware financiële sancties op het overtreden van regels.

Lavrijsen had zijn stallen vol, maar maakte in die ruimtes een heel eigen combinatie om risico’s te spreiden:

  • 120 stieren (eerste stal)
  • 20.000 slachtkuikens (normaal is 70.000 à 100.000), die 3 ton voer gebruiken. Hun cyclus is acht weken
  • 800 varkens
Om die dieren te voederen is 10 ha grond in gebruik voor het verbouwen van mais en suikerbieten. De quota stelden een grens. De tractoren van Lavrijsen namen in kracht toe van 30 naar 75 pk.
Rond 1970 waren coöperaties als NCB en Campina (met hun korte lijnen) in principe heel positief, maar de sociale relatie tussen boer en de in schaal gegroeide coöperaties is veel zakelijker geworden, men heeft weinig zeggenschap. De coöperaties zijn meer handelspartner.
De actieradius van de boer reikte in de periode 1950-1975 tot Tilburg (de locatie van de coöperatie), vanaf 1975 tot Den Haag (rijksoverheid) en wat later tot Brussel.

Lavrijsen heeft geen opvolger. Zijn grond ligt in een zogenaamd agrarisch ‘Ontwikkelingsgebied’ (intensiveringsgebied), waar groei is toegestaan. Hij maakt dus geen gebruik van de opkoopregeling, maar wacht rustig af tot zich een koper meldt, want de grondwaarde in zo’n gebied bevindt zich in een stijgende lijn.

[11 november 2005]