| Infrastructuur De ontwikkeling van het Noord-Brabantse infrastructuur van 1866 tot heden. Weergegeven zijn de provinciale, rijks- en spoorwegen. Het Brabantse gebied was gedurende de periode als Generaliteitsland verwaarloosd: slecht ontsloten en leeg. Rond 1800 liet de kwaliteit van de wegen nog veel te wensen over. Zandwegen dwars door heidevelden waren en bleven in de Kempen de verbinding tussen de wat grotere plaatsen. Wegen en weggetjes in en tussen de dorpen zijn dikwijls niet meer dan een karrenspoor of een voetpad. In de Peel zijn vrijwel geen wegen te vinden. In Franse Tijd (1795-1815) promoveerde Staats-Brabant van ‘Generaliteitsland’ tot ‘Gewest’ in de Bataafse Republiek. Bij staatregeling van 1798 werd vastgesteld dat de overheid voor goede infrastructuur moest zorgen. De overheid had hiervoor drie redenen namelijk als politieke; de integratie van de geïsoleerde regionale samenleving in nationaal verband, als militaire; een snelle verplaatsing van troepen en als economische; een goed transportnetwerk is voorwaarde voor de opbloei van handel. Vanaf datzelfde jaar werden Dommel, Aa, Dintel en Mark uitgediept en de Zuid-Willemsvaart van ’s Hertogenbosch naar Maastricht door Willem I aangelegd (1822-1826). In 1846 werd het op eigen kosten aangelegde Eindhovenskanaal en de haven in gebruik genomen en heeft Eindhoven een verbinding met de Zuid-Willemsvaart. Er werden ook enkele rijkswegen aangelegd. De rijkswegen waren lang, recht, gericht op kerktorens en sloten aan op de dorpsstraat. Ze werden opgehoogd met in de bermen aanplant van eiken en in een enkel geval verhard. De rijkswegen waren een nieuw fenomeen in een streek waar wegen voornamelijk bochtig, onverhard en onbeplant waren. Naast het rijkswegennet werd begonnen met uitbreiding, verharding en beplanting van provinciale wegen. Vanaf 1860 werd het wegennet uitgebreid met de eerste spoorwegen. Kijk ook hier voor meer informatie over infrastructuur. |
||